Get Adobe Flash player

zeilplan

Diploma Jeugdzeilen 1.

Jeugdzeilen eenmans 1. voor de beginnende zeiler

Deze opleiding is bedoeld voor personen die nog nooit gezeild hebben. Tijdens de opleiding wordt men systematisch de beginselen van het zeilen bijgebracht. Het diploma omvat de eenvoudige basisvaardigheden zoals het op-en aftuigen, het sturen, de bediening van de zeilen en het overstag gaan. Daarbij aangevuld met bijbehorende theorie over veiligheid en enkele vaarregels op het water. Dit alles onder gunstige omstandigheden; een rustig vaarwater en een matige wind.

Diploma Jeugdzeilen eenmans 1. Bestaat uit:
18 lessen van 2 uur
Proefexamen
Examen en diploma uitreiking
Leeftijd: van 7 t/m 14 Jaar
Cursusduur: ongeveer 5 maanden afhankelijk van de vorderingen van de zeiler.

De opvarenden dragen:

-Zwemvest

-Degelijk schoeisel

Eisen praktijk

1. Boot zeilklaar maken

2. Boot te water laten en verhalen

3. Hijsen en strijken van de zeilen

4. Stand en bediening van de zeilen

5. Sturen, roer-en zwaardbediening

6. Overstag gaan

7. Opkruisen in breed vaarwater

8. Gijpen

9. Afvaren van hogerwal en langswal

10. Onder toezicht aankomen bij hoger wal en langswal

Eisen theorie

1. Schiemanswerk

2. Zeiltermen en benaming van onderdelen van de boot

3. Reglementen

4. Veiligheid



Toelichting op de praktijkeisen

1.Boot zeilklaar maken.

Zeilklaar maken: boot zeilklaar maken op de wal. Zeil dat reeds is bevestigd aan de rondhouten in het schip aanbrengen, zeilschoot inscheren, spriet bevestigen. Inventaris compleet maken.

2.Boot te water laten en verhalen.

Te water laten: kunnen meehelpen bij het in het water laten van de boot.

Verhalen d.m.v.: roeien: met twee riemen rechtuit roeien, bochten draaien en afstoppen en/of peddelen: met behulp van een peddel of ander daartoe geschikt voorwerp de boot verhalen.

3.Hijsen en strijken van de zeilen.

Hijsen: mast op juiste wijze plaatsen, schoot inscheren, spriet bevestigen, zeil op spanning zetten en fixeren.

Strijken: zeil van spanning halen, schoot uitscheren, zeil netjes opdoeken en ordelijk opruimen.

4.Stand en bediening van de zeilen.

Diverse eenvoudige in een parcours opgenomen koersen (uitgezonderd hoog aan de wind) varen en daar de zeilstand enigszins bij aanpassen. Zeil vieren om een vlaag op te vangen of vaart te minderen.

5.Sturen, roer-en zwaardbediening.

Redelijk zeker gebruik van de helmstok (gebruik helmstokverlenger is niet noodzakelijk), terwijl een recht, of indien van toepassing, bochtig parcours gevaren wordt. Dwars in de boot met de rug tegen het loefgangboord en met de zij tegen het middenschot aan zitten. Zwaardstand hoeft tijdens het varen nog niet aangepast te worden.

6.Overstag gaan (eenvoudig).

In een parcours, waarin een overstagmanoeuvre verwerkt is (bijvoorbeeld bij een boei) de boot door de wind sturen en gaan verzitten als het zeil overkomt.

Begrip van opkruisen behoeft (nog) niet aanwezig te zijn. Indien de boot in de wind blijft liggen weer over een willekeurige boeg volvallen.

7.Opkruisen in breed vaarwater.

Een bovenwinds gelegen punt met behulp van één of enkele overstagmanoeuvres kunnen bereiken.

8.Gijpen (eenvoudig).

In een parcours, waarin een gijpmanoeuvre verwerkt is (bijvoorbeeld bij een boei) de boot 'binnen de wind' sturen en gaan verzitten (draaigijp) als het zeil (vanzelf) overkomt. Inzicht in 'binnen de wind varen' behoeft nog niet aanwezig te zijn.

9.Afvaren van hogerwal en langswal.

Met juiste afzet van een helper op de wal, al of niet in voorwaartse richting. Schoot zonodig vieren om voldoende afstand van de wal te kunnen nemen.

10.Onder toezicht aankomen aan hogerwal en langswal.

Aankomen aan hoger-of langswal zonder al te veel snelheid, bijv. met een opschieter. Zeil moet gevierd worden. Een helper mag de boot vanaf de kant 'opvangen'.

Toelichting op de theorie-eisen.

1.Schiemanswerk.

In de in praktijk voorkomende gevallen de volgende steken kunnen leggen:

Slipsteek met daarop een halve steek, achtknoop.

2.Zeiltermen en benaming van onderdelen van de boot.

Zeiltermen. Kunnen aangeven wat wordt bedoeld met vijf van de volgende termen: in de wind, halve wind, voor de wind, aan de wind, hoger-en lager wal, bakboord, stuurboord, hoge en lage zijde en loef-en lijzijde van het schip, killen van het zeil.

Benamingen: minimaal vijf onderdelen van de eigen boot en tuigage kunnen benoemen.

3.Reglementen.

Voorzorgsmaatregelen

Afwijking reglement

Tegengestelde koersen: kleine zeilschepen onderling en zeil – motor

Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling

4.Veiligheid

Kunnen vertellen wat te doen als de boot omslaat en dit in praktijk een keer hebben gezien.